www.bretteastonellis.nl, alles over de schrijver Brett Easton Ellis. Op deze site leest u alles over zijn leven en zijn boeken d.m.v. fragmenten, recensies, artikelen en interviews.
Minder dan niks
Midprice € 12,50
ISBN 978 90 414 1639 1
Vertaling Balt Lenders



Rauw en indringend portretteert Bret Easton Ellis in Minder dan niks een generatie teenagers uit Los Angeles, kinderen van filmproducenten en hun makelaars en advocaten. Al vroeg hebben ze kennis gemaakt met seks, drugs en een volslagen liefdeloosheid. Ze zijn uitsluitend op consumptie gericht en geld speelt geen rol. ‘Het enige dat ik niet heb, is iets te verliezen,’ zegt een van de jonge hoofdpersonen.
Met een haast onwerkelijke koele pen beschrijft Easton Ellis een wereld die voor iedereen die niet schatrijk en onder de vijfentwintig is zowel onbegrijpelijk, fascinerend als angstaanjagend is.
Deze briljante debuutroman is een gedetailleerde zedenschets van de verwende rijke jeugd in Los Angeles midden jaren tachtig.
Mensen zijn bang om in te voegen op de snelweg in Los Angeles. Dat is het eerste dat ik hoor als ik weer terug ben in de stad. Blair haalt me op van lax en slaakt deze verzuchting op het moment dat haar auto de invoegstrook oprijdt. Ze zegt: ‘Mensen zijn bang om in te voegen op de snelweg in Los Angeles.’ En al hoef ik helemaal niks achter die zin te zoeken, hij blijft irritant lang in mijn hoofd hangen. Niks lijkt verder nog belangrijk. Niet het feit dat ik achttien ben en het december is en dat de vlucht bepaald geen pretje was geweest en dat het stel uit Santa Barbara, dat in de eerste klas tegenover me zat, knap dronken was geworden. Niet de modder die eerder die dag op een vliegveld in New Hampshire tegen de pijpen van mijn spijkerbroek was gespat, wat min of meer koud en slonzig had aangevoeld. Niet de vlek op de mouw van het verkreukelde, klamme shirt dat ik aanheb, een shirt dat er nog fris en schoon had uitgezien vanmorgen. Niet de scheur die ik in de hals van mijn grijswollen ruitjesvest heb en die op een vage manier oostkustachtiger aandoet dan voorheen, vooral naast Blairs smetteloze strakke spijkerbroek en haar lichtblauwe T-shirt. Dit lijkt allemaal in het niet te vallen bij die ene zin. Het lijkt gemakkelijker om te horen dat mensen bang zijn om in te voegen dan ‘ik ben er vrij zeker van dat Muriel anorexia heeft’ of om de zanger op de radio over magnetische golven te horen schreeuwen. Niks lijkt nog belangrijk voor me behalve die dertien woorden. Niet de warme windstoten die de auto over het verlaten asfalt van de snelweg lijken te stuwen, of de vage geur van marihuana die nog flauwtjes in Blairs auto hangt. Het enige dat ertoe doet is dat ik een jongen ben die voor een maand naar huis komt en dat ik een afspraak heb met iemand die ik vier maanden niet heb gezien en dat mensen bang zijn om in te voegen.
Blair rijdt van de snelweg af en komt bij een rood stoplicht. Een harde windstoot doet de auto even schommelen en Blair glimlacht en zegt zoiets als dat we de kap misschien omhoog moeten doen en zoekt een ander radiostation op. Als we mijn huis naderen moet Blair stoppen omdat daar vijf werklui bezig zijn de palmboomresten die tijdens de stormwind naar beneden zijn gekomen op te ruimen en de bladeren en de dode stukken bast op een grote rode truck te laden, en Blair glimlacht opnieuw. Ze stopt bij mijn huis en de poort staat open en ik stap uit de auto, verrast als ik voel hoe droog en heet het is. Ik blijf daar een hele tijd zo staan en nadat ze me de koffers uit de kofferbak heeft helpen tillen, grijnst Blair naar me en vraagt: ‘Wat is er loos?’ en ik zeg: ‘Niks,’ en Blair zegt: ‘Je ziet bleek,’ en ik haal mijn schouders op en we nemen afscheid en ze stapt in haar auto en rijdt weg.
Niemand thuis. De airconditioner staat aan en het huis geurt naar dennen. Er ligt een briefje voor me op de keukentafel waarop staat dat mijn moeder en mijn zussen uit zijn, kerstinkopen doen. Vanwaar ik sta kan ik de hond bij het zwembad zien liggen, zwaar ademend in zijn slaap, zijn vacht dooreengewoeld door de wind. Ik loop de trap op, langs het nieuwe dienstmeisje dat naar me glimlacht en schijnt te begrijpen wie ik ben, en langs de kamers van mijn zussen, die er allebei nog hetzelfde uitzien, alleen met andere knipsels uit de Gentlemen’s Quarterly tegen de muur geplakt, en ga mijn kamer binnen en zie dat die niet is veranderd. De muren zijn nog wit; de platen staan nog waar ze stonden; de televisie is niet aangeroerd; en de jaloezieën staan nog steeds open, net zoals ik ze heb achtergelaten. Het lijkt wel alsof mijn moeder en het nieuwe meisje, of misschien het oude meisje, mijn kast hebben opgeruimd toen ik weg was. Er ligt een stapel stripboeken op mijn bureau met daarop een briefje waarop staat: ‘Wil je deze nog houden?’; en ook een briefje dat Julian heeft gebeld en een kaart met ‘Fuck Christmas’ erop. Ik sla hem open en binnenin staat: ‘Let’s Fuck Christmas Together’, een uitnodiging voor Blairs kerstparty. Ik leg de kaart neer en merk dat het echt koud begint te worden in mijn kamer.
Ik trek mijn schoenen uit en ga op het bed liggen en voel aan mijn voorhoofd om te zien of ik koorts heb. Ik denk van wel. En met mijn hand op mijn hoofd kijk ik voorzichtig naar de poster achter glas die boven mijn bed tegen de muur hangt, maar ook deze is niet veranderd. Het is de campagneposter voor een oude plaat van Elvis Costello. Elvis kijkt langs me heen, met dat schampere, ironische glimlachje op zijn lippen, en staart uit het raam. Het woord ‘Trust’ zweeft boven zijn hoofd en zijn zonnebril, één glas rood en het andere blauw, is tot bijna halverwege zijn neus naar beneden geduwd zodat je zijn ogen kunt zien, die een tikkeltje loensen. Maar de ogen zijn niet op mij gericht. Ze zijn alleen op iemand gericht die bij het raam staat, maar ik ben te moe om overeind te komen en bij het raam te gaan staan.
Ik pak de telefoon en bel Julian op, stomverbaasd dat ik zijn nummer nog weet, maar er wordt niet opgenomen. Ik ga rechtop zitten en kan door de jaloezieën heen de palmbomen wild zien zwiepen, eigenlijk buigen, in de hete wind, en daarna kijk ik weer naar de poster en dan wend ik me af en kijk vervolgens weer opnieuw naar de glimlach en de spottende oogjes en het rode en het blauwe glas, en ik kan nog steeds horen dat mensen bang zijn om in te voegen en ik probeer van de zin af te komen, hem uit te wissen. Ik zet MTV aan en bedenk dat ik ervan af zou kunnen komen en kon gaan slapen als ik wat valium had en dan denk ik aan Muriel en voel me een beetje misselijk terwijl de videoclips voorbij beginnen te flitsen.

Ik neem Daniel mee naar de party van Blair die avond en Daniel draagt een zonnebril en een zwart wollen jasje en een zwarte spijkerbroek. Hij draagt ook zwarte suède handschoenen omdat hij zich een week eerder in New Hampshire ernstig aan een stuk glas heeft verwond. Ik was met hem naar de eerste hulp in het ziekenhuis gegaan en had staan kijken hoe ze de wond hadden gereinigd en het bloed hadden afgewassen en er draad doorheen gingen naaien tot ik me misselijk begon te voelen en vervolgens ben ik in de wachtkamer gaan zitten om vijf uur ’s morgens en hoorde de Eagles ‘New Kid in Town’ zingen en kreeg erg veel zin om terug te gaan. We staan voor de deur van Blairs huis in Beverly Hills en Daniel klaagt dat de handschoenen aan de draadjes vastplakken en dat ze te strak zitten, maar hij trekt ze niet uit omdat hij niet wil dat mensen het dunne zilverdraad uit de huid van zijn duim en vingers zien steken. Blair doet de deur open.
‘Hé, stuk,’ roept Blair uit. Ze draagt een zwart leren jack en bijpassende broek en geen schoenen en ze omhelst me en kijkt dan naar Daniel.
‘En wie is dat?’ vraagt ze met een grijns.
‘Dit is Daniel. Daniel, dit is Blair,’ zeg ik.
Blair steekt haar hand uit en Daniel glimlacht en schudt hem zacht.
‘Nou, kom binnen. Vrolijk kerstfeest.’
Er zijn twee kerstbomen, een in de woonkamer en een in de studeerkamer, en allebei zijn ze versierd met fonkelende donkerrode lampjes. Er zijn mensen op het feest van mijn oude school en de meesten heb ik na het eindexamen niet meer gezien en ze staan allemaal vlak naast de twee gigantische bomen. Trent, een fotomodel dat ik ken, is er ook.
‘Hé, Clay,’ zegt Trent, die een rood met groene Schots geruite sjaal om zijn nek heeft geslagen.
‘Trent,’ zeg ik.
‘Hoe staat ’t ermee, kanjers?’
‘Uitstekend. Trent, dit is Daniel. Daniel, dit is Trent.’
Trent steekt zijn hand uit en Daniel glimlacht en zet zijn zonnebril recht en schudt hem dan lichtjes.
‘Hé, Daniel,’ zegt Trent. ‘Waar studeer jij?’
‘Met Clay,’ zegt Daniel. ‘En jij dan?’
‘Op UCLA, of zoals oosterlingen graag zeggen: op UCRA.’ Trent imiteert ’n oude Japanse man, met spleetogen, gebogen hoofd en gekscherend uitgestoken voortanden en lacht dan alsof hij dronken is. ‘Ik zit op de Universiteit voor Simpele Californiërs,’ zegt Blair, nog steeds met een grijns en met haar vingers door haar lange blonde haar gaand.
‘Wáár?’ vraagt Daniel.
‘Op USC,’ zegt ze.
‘O ja,’ zegt hij. ‘Tuurlijk.’
Blair en Trent lachen en zij grijpt heel even zijn arm beet om zich in evenwicht te houden. ‘Of voor Stompzinnige Californiërs,’ zegt ze bijna stikkend van de lach.
‘En ik op de Universiteit voor Californiërs die het Laten Afweten,’ zegt Trent, nog steeds gierend.
Eindelijk houdt Blair op met lachen en stevent dan vlak langs me heen op de deur af en zegt tegen me dat ik de punch moet proberen.
‘Ik haal de punch wel,’ zegt Daniel. ‘Wil je ook, Trent?’
‘Nee, dank je.’ Trent kijkt me aan en zegt: ‘Je ziet witjes.’
Het valt me inderdaad op, vooral vergeleken met Trents diepe donkerbruin en dat van de meeste andere mensen in de kamer. ‘Ik heb vier maanden in New Hampshire gezeten.’
Trent grijpt in zijn binnenzak. ‘Hier,’ zegt hij en hij geeft me een kaartje. ‘Het adres van een zonnestudio op Santa Monica. Maar ze werken niet met kunstmatig licht of iets dergelijks, en je hoeft ook geen tubes vitamine e over je hele lijf te smeren. Dit hier noem je uvabaden en eigenlijk is ’t zo dat ze je huid verven.’
Ik luister na ’n tijdje niet meer naar Trent en kijk de andere kant op naar drie jongens, vrienden van Blair die ik niet ken en die op USC zitten, allemaal even bruin en blond en eentje zingt mee met de muziek die uit de speakers komt.
‘Het werkt wel,’ zegt Trent.
‘Wat werkt?’ vraag ik, afgeleid.
‘Een uva-bad. uva-baden. Kijk op je kaartje, jochie.’
‘O ja.’ Ik kijk op het kaartje. ‘Ze verven je huid, zei je toch?’
‘Ja, dat zei ik.’
‘Oké.’
Stilte.
‘Wat heb je allemaal gedaan?’ vraagt Trent.
‘Uitgepakt,’ zeg ik. ‘En jij dan?’
‘Nou,’ glimlacht hij trots. ‘Ik ben aangenomen door dat modellenbureau, echt ’n héél goed bureau,’ verzekert hij me. ‘En raad eens wie er over twee maanden niet alleen voor op de International Malestaat maar ook de juni-foto in de College Man-kalender van UCLA is?’
‘Wie?’ vraag ik.
‘Ik, jochie,’ zegt Trent.
International Male?’
‘Ja. Eigenlijk hou ik niet zo van dat blad. Mijn agent heeft tegen ze gezegd: geen naaktfoto’s, hoogstens Speedo’s en dat soort dingen. Ik doe geen naaktopnames.’
Ik geloof hem maar weet niet waarom en kijk de kamer rond of Rip, mijn dealer, op het feest is. Maar ik zie hem niet en ik draai me weer naar Trent en vraag: ‘Ja? En wat heb je verder nog gedaan?’
‘O, zo’n beetje als altijd. Naar Nautilus lazerus worden, naar die uva-toestand… Maar, hé, tegen niemand zeggen dat ik daar geweest ben, oké?’
‘Wat?’
‘Ik zei: niemand iets zeggen over die uva-baden, oké?’
Trent kijkt bezorgd, tobberig bijna, en ik leg mijn hand op zijn schouder en knijp erin om hem op z’n gemak te stellen. ‘O, goed hoor, maak je geen zorgen.’
‘Hé,’ zegt hij, terwijl hij de kamer rondkijkt. ‘Ik moet nog even wat regelen. Tot straks. Bij de lunch,’ grapt hij, terwijl hij weggaat.
Daniel komt terug met de punch en die is erg rood en erg sterk en ik hoest een beetje als ik een slok neem. Vanwaar ik sta kan ik Blairs vader zien, die filmproducer is en die in een hoekje van de studeerkamer met een jonge acteur zit te praten die geloof ik nog bij me op school heeft gezeten. Het vriendje van Blairs vader is ook op het feest. Hij heet Jared en hij is echt jong en blond en bruin en heeft blauwe ogen en ongelooflijk goedgevormde witte tanden en hij staat met de drie jongens van usc te praten. Ik kan Blairs moeder ook zien, ze zit bij de bar en drinkt een wodka met lime die ze met trillende handen naar haar mond brengt. Blairs vriendin Alana komt de studeerkamer binnen en omhelst me en ik stel haar aan Daniel voor.
‘Je lijkt sprekend op David Bowie,’ zegt Alana, die duidelijk stijf staat van de coke, tegen Daniel. ‘Ben je ook linkshandig?’
‘Ik vrees van niet,’ zegt Daniel.
‘Alana is gek op jongens die links zijn,’ zeg ik tegen Daniel.
‘En die op David Bowie lijken,’ brengt ze me in herinnering.
‘En die in de Colony wonen,’ maak ik het af.
‘O, Clay, wat ben jij ook ’n gemenerik,’ giechelt ze. ‘Clay is een verschrikkelijke gemenerik,’ zegt ze tegen Daniel.
‘Ja, weet ik,’ zegt Daniel. ‘Een gemenerik. Verschrikkelijk.’
‘Heb je al punch gehad? Moet je echt proberen,’ zeg ik tegen haar.
‘Schat,’ zegt ze, langzaam en dramatisch. ‘Ik heb de punch gemáákt.’ Ze lacht, krijgt dan Jared in het oog en houdt ineens op. ‘O, god, ik wou dat Blairs vader Jared niet uitnodigde bij dit soort gelegenheden. Haar moeder wordt er doodnerveus van. Ze wordt toch al straalbezopen, maar als hij er is wordt het nog erger.’ Ze wendt zich tot Daniel en zegt: ‘Blairs moeder heeft last van agorafobie.’ Ze kijkt weer naar Jared. ‘Ik bedoel, hij zit volgende week toch in Death Valley voor opnames, ik zie niet in waarom-ie niet tot dan zou kunnen wachten, jij wel?’ Alana wendt zich tot Daniel en dan tot mij.
‘Nee,’ zegt Daniel ernstig.
‘Ik ook niet,’ zeg ik, hoofdschuddend.
Alana kijkt omlaag en dan weer naar mij en zegt: ‘Je ziet er best bleekjes uit, Clay. Je moest eens naar het strand of zoiets.’
‘Doe ik misschien ook wel.’ Ik ga met een vinger over het kaartje dat Trent me gegeven heeft en vraag haar dan of Julian ook komt.
‘Hij heeft me wel gebeld en ook een boodschap achtergelaten, maar ik krijg hem niet te pakken,’ zeg ik.
‘O god, nee,’ zegt Alana. ‘Ik hoor dat-ie zo’n beetje helemaal naar de kloten is.’
‘Hoe bedoel je?’ vraag ik.
Ineens barsten de drie jongens van usc en Jared keihard in lachen uit, unisono.
Alana rolt met haar ogen en trekt een pijnlijk gezicht. ‘Jared had zo’n stomme mop van zijn vriendje dat bij Morton’s werkt. “Wat zijn de twee grootste leugens?” “Ik betaal ’t terug en ik zal niet in je mond klaarkomen.” Ik snap ’m niet eens. O, god, laat ik Blair liever gaan helpen. Mammie gaat achter de bar. Leuk je ontmoet te hebben, Daniel.’
‘Ja, vind ik ook,’ zegt Daniel.
Alana loopt naar Blair en haar moeder bij de bar.
‘Misschien had ik wel een paar noten van “Let’s Dance” moeten neuriën,’ zegt Daniel.
‘Misschien wel, ja.’
Daniel glimlacht. ‘O, Clay, je bent zo’n verschrikkelijke gemenerd.’
We gaan weg nadat Trent en een van de jongens van USC in de kerstboom in de woonkamer zijn beland. Later op de avond, wanneer we met z’n tweeën aan het uiteinde van de in het donker gehulde bar in de Polo Lounge zitten, wordt er niet bijster veel gezegd.
‘Ik wil wel weer terug,’ zegt Daniel zachtjes, met moeite.
‘Waarheen?’ vraag ik, onzeker.
Er valt een lange stilte die me ’n beetje een freaky gevoel geeft en Daniel drinkt zijn glas leeg en gaat met z’n vingers over zijn zonnebril die hij nog steeds op heeft en zegt: ‘Ik weet niet. Gewoon terug.’
Bret Easton Ellis over Minder dan niks
‘I read it for the first time in about 20 years this year--recently. It wasn't so bad. I get it. I get fan mail now from people who weren't really born yet when the book came out [groans]. I don't think it's a perfect book by any means, but it's valid. I get where it comes from. I get what it is. I know that sounds so ambiguous. It's sort of out of my hands and it has its reputation [laughs] so what can you do about it? There's a lot of it that I wish was slightly more elegantly written. Overall, I was pretty shocked. It was pretty good writing for someone who was 19. I was pretty surprised by the level of writing.‘

bron:www.amazon.com

Onder de ogen van Elvis
Op de originele Penguin-kaft van Less Then Zero van Bret Easton Ellis (1963) staat een ouderwetse zwarte bril met een roze en een blauwglas. Popfanaten herkennen 'm meteen: dit is de zonnebril die New Wave-ster Elvis Costello droeg op de hoes van zijn vijfde album Trust - zij het dat toen beide glazen rood waren. De bril is een signaal, net als de titel van de roman, die verwijst naar een Costello-liedje: dit is een boek waarin muziek een belangrijke rol speelt én waarin de lezer dezelfde nietsontziende satire kan verwachten als in het vroege werk van Elvis Costello.
Een promotieposter voor Trust, waarop Costello spottend over een roze-blauwe bril blikt, hangt op de jongenskamer van de hoofdpersoon van Less Then Zero, en is een van de terugkerende motieven in Ellis' debuutroman. De popster kijkt neer op de rijke en verveelde personages, zoals dokter T.J. Eckleburg dat doet (op een reclamebord) in The Great Gatsby van Ellis' grote voorbeeld F. Scott Fitzgerald. Een andere reclame, de tekst ‘Disappear Here' op een billboard langs de snelweg, wordt een soort mantra voor de ikfiguur,  die na een verblijf op een college aan de Oostkust voor de kerstvakantie terugkeert naar Los Angeles. De slogan is voor Clay net zo veelzeggend als de eerste woorden die bij hoort als bij op het vliegveld aankomt: 'People are afraid to merge (on freeways in Los Angeles).'
In veel Amerikaanse literatuur heeft Los Angeles een beroerd imago. Al vanaf Nathanael Wests  Hollywoodroman The Day of the Locust (1939) geldt de stad van snelwegen en neonlicht als het afvoerputje van modem Amerika, als een plaats waar het ongebreidelde hedonisme gemakkelijk omslaat in geweld en perversie. In Less Than Zero is dat niet anders. Clay komt terug uit New Hampshire en dwaalt als een zombie door de stad, waar zijn vroegere vrienden gewoon door zijn gegaan met hun leventjes vol drank, drugs en seks. Hij past niet meer in zijn oude bestaan, en registreert gelaten de uitwassen van de consumptiecultuur: powerdrugs. anonieme seks, snuff movies en muziek die het vooral van de begeleidende videoclips moet hebben. De soundtrack van Clay’s avonturen in de hippe nachtclubs en dure huizen van LA bestaat uit de wezenloze jaren-80-hits van groepen als Culture Club en Duran Duran. Alleen al daarom werd Less Than Zero bij verschijning door USA Today omschreven als ’Catcher in the Rye voor de MTV-generatie’.
De schok die Less Than Zero bij verschijning in 1985 in Amerika teweegbracht, was niet het gevolg van de kale, haast anti-literaire stijl van de roman (‘heel korte scènes, geschreven in een soort beheerst, filmisch haiku volgens Ellis in zijn quasi-autobiografische roman Lunar Park). En ook niet van de alarmerende beschrijving van een nieuwe Lost Generation ('een aanklacht tegen een manier van leven waarmee ik vertrouwd was. maar ook tegen de jaren tachtig van Reagan, en indirect tegen de westerse beschaving'). Nee, het geschoktst was de goegemeente door de gruwelijke scènes en vooral door de amorele houding waarmee Ellis ze geboekstaafd had. Toch is Less Than Zero geen nihilistisch boek. Tegen het einde probeert Clay zijn zogenaamde vrienden ter verantwoording te roepen als ze op het punt staan een twaalfjarig meisje te verkrachten. 'I don’t think it's right.' zegt hij. Een van de jongens antwoordt: 'What’s right? If you want something, you have the right to take it. If you want to do something, you have the right to do it.' En Clay stelt een daad: hij loopt de kamer uit. Het is weinig. Net iets meer dan niks. Maar we moeten het ermee doen.

Pieter Steinz, NRC Handelsblad 7-10-‘05
Quotes
'Hip en cool, kort en krachtig.'
The Guardian

'Een geüdatet Catcher in the Rye.'
Los Angeles Time

'Dit is het boek waar je moeder je voor waarschuwde. Jim Morrison zou trots zijn.'
Eve Babitz