www.bretteastonellis.nl, alles over de schrijver Brett Easton Ellis. Op deze site leest u alles over zijn leven en zijn boeken d.m.v. fragmenten, recensies, artikelen en interviews.
Midprice € 10,00
ISBN 978 90 414 1012 2
Vertaling Anneke van Huisseling

De wetten van de aantrekkingskracht is Bret Easton Ellis' caleidoscopische, grappige en ontroerende roman over Sean, Lauren en Paul, drie studenten zonder plannen voor de toekomst die verstrikt raken in een romantische driehoeksverhouding. Met een mix van scherpe satire en mededogen worden de seksuele gevoelens en twijfel van de jongelingen bekeken, terwijl het morele vacuüm dat in het hart van hun leven ligt wordt blootgelegd.
Een moderne klassieker over de jaren tachtig.
Sean Het feest loopt ten einde. Net als het laatste vat wordt aangeslagen kom ik Windham House binnen. De deal in de stad ging oké en ik heb wat geld, dus koop ik wat weed van een eerstejaars die in de kaartkamer van Booth House woont en word high voordat ik op Dorstige Donderdag kom. In de huiskamer zitten ze het vlooienspel met kwartjes en bekertjes bier te spelen, en Tony vult een pul met bier.
Ik vraag hem: ‘Hoe staat het?’
‘Hoi, Sean. Ben mijn legitimatie kwijt. Geen Café vanavond,’zegt hij. ‘Brigid is geil op die gozer uit L.A. Doe je mee?’
‘Prima,’ zeg ik. ‘Waar zijn de bekertjes?’
‘Daar,’ zegt hij en loopt terug naar de tafel.
Ik haal wat bier en zie die lekkere eerstejaars met het korte blonde haar en het fantastische lijf met wie ik een week of wat geleden heb geneukt bij de open haard staan. Ik wil met haar gaan praten, maar Mitchell Allen geeft haar al een vuurtje en ik laat het zitten. Dus sta ik tegen de muur, luister naar REM, drink mijn bier op, haal nog wat, hou die eerstejaars in het oog. Dan komt er een ander meisje aan, Deidre heet ze geloof ik (zwart haar coupe burgerpunk, zwarte lippenstift, zwarte nagellak, zwarte kniekousen, zwarte schoenen, mooie tieten, prima lijf, vierdejaars), en ze draagt een zwart haltertopje, al lijkt het wel veertig graden onder nul in de kamer, en ze is dronken en hoest als een tb-lijder en laat zich vollopen met Scotch. Ik heb haar Dante zien jatten in de boekwinkel. ‘Kennen wij elkaar?’ vraagt ze. Ik heb ze weleens leuker gehoord.
‘Nee,’ zeg ik. ‘Hoi.’
‘Hoe heet je?’ vraagt ze, terwijl ze haar evenwicht probeert te bewaren.
‘Peter,’ antwoord ik.
‘O ja?’ vraagt ze met een verwarde blik. ‘Peter? Peter? Zo heet jij niet.’
‘Jawel.’ Ik verlies die geile eerstejaars nog altijd niet uit het oog, maar ze kijkt mijn kant niet uit. Ze krijgt een nieuwe pils van Mitchell. Het is te laat. Ik kijk Dede Dedire, of hoe ze ook moge heten, weer aan.
‘Ben jij geen vierdejaars?’ vraagt ze me.
‘Nee,’ zeg ik. ‘Eerstejaars.’
‘Echt?’ Ineens begint ze te hoesten, neemt dan een slok Scotch, of beter gezegd, giet het spul naar binnen, en zegt met een stem van schuurpapier: ‘Ik dacht dat je ouder was.’
‘Eerstejaars,’ zeg ik en drink mijn bekertje leeg. ‘Peter. Peter de eerstejaars.’
Mitchell fluistert haar iets in het oor. Ze lacht en wendt zich van hem af. Hij blijft doorfluisteren. Ze loopt niet weg. Ja, hoor. Ze wil met hem mee.
‘Ik zou toch gezworen hebben dat je Brian heette,’ zegt Deedum.
Ik neem de mogelijkheden door. Ik kan nu afnokken, naar mijn kamer teruggaan, gitaarspelen, gaan slapen. Of ik kan kwartjeswippen met Tony en Brigid en die druiloor uit L.A. Of ik kan met dit meisje buiten de campus iets gaan drinken, in de Carousel, en haar daar achterlaten. Of ik kan haar mee naar mijn kamer nemen (hopelijk is de Fransoos weg), stoned worden en met haar neuken. Maar daar heb ik niet echt trek in. Zo geweldig zie ik haar nou ook weer niet zitten, maar die lekkere eerstejaars is al met Mitchell vertrokken en ik heb geen college morgen en het is laat en het vat zou weleens bijna leeg kunnen zijn. En ze kijkt me aan en zegt: ‘Hoe staat het?’ en ik denk Waarom Niet?
Dus draait het erop uit dat ik met haar mee naar huis ga – ze is dik maar hitsig, komt uit L.A., haar vader zit in de muziekindustrie, maar wie Lou Reed is weet ze niet. We gaan naar haar kamer. Haar kamergenote is thuis, maar slaapt.
‘Geen aandacht aan besteden,’ zegt ze en doet het licht aan. ‘Ze is gestoord. Geen probleem.’
Ik ben mijn kleren aan het uittrekken als de kamergenote wakker wordt en bij het zien van mijn naakte lijf over de rooie gaat. Ik kruip onder D.’s dekens, maar de kamergenote begint te huilen en komt haar bed uit, en D. schreeuwt aldoor: ‘Je bent gestoord, ga slapen, je bent gestoord.’ Kamergenote snikkend af, met knallende deur. We beginnen te vrijen, maar zij is haar pessarium vergeten, dus probeert ze het alsnog in te doen, en ze spuit haar hand onder het schuim, maar krijgt het er met geen mogelijkheid in en weet van dronkenschap niet waar ze het laten moet. Ik probeer haar evengoed te neuken, maar ze kreunt steeds ‘Peter, Peter’, dus hou ik ermee op. Ik denk erover om te kotsen, maar steek in plaats daarvan mijn bong aan en neem een paar halen, en dan smeer ik hem. Bekijk het maar. Rock-’n-roll.

Paul We waren al bezopen toen we op Dorstige Donderdag kwamen en de avond was nog jong, en het lichtharige, heel lange en jongensachtige Zweedse meisje uit Connecticut wou me versieren, en ik liet het toe. Dronken, maar nog heel goed beseffend waar ik aan begon, liet ik het toe. Ik had geprobeerd met Mitchell te praten, maar die had veel meer belangstelling voor een waanzinnig lelijke del van een eerstejaars genaamd Candice. Candy, kort gezegd. Ik werd er enigszins onpasselijk van, maar wat kon ik? Ik begon met Katrina te praten, en ze zag er heel charmant uit met haar zwarte regenjas van het Leger des Heils en de zeemanspet waar dat ene blonde kuifje onderuit kwam gluren, en haar ogen waren, zelfs in het duister van de huiskamer van Windham House, groot en blauw. Hoe dan ook, we waren dronken, en Mitch stond nog met Candy te praten en er was een meisje op het feest dat ik per se niet wilde zien en ik was inmiddels dronken genoeg om met Katrina mee te gaan. Ik had misschien wel kunnen blijven om te zien hoe het met Mitch zou aflopen of om die jongen uit L.A. te versieren, die te lang in te zon had gezeten, maar wel goedgespierd (roodgespierd?) was en eenzelvig genoeg leek om alles te proberen. Maar die zat nog altijd met zijn zonnebril op te kwartjeswippen, en trouwens, er werd beweerd dat hij het met Brigid McCauley (een ‘wandelende kut’ volgens Vanden Smith) deed, dus toen Katrina me vroeg: ‘Hoe staat het?’ stak ik een sigaret op en zei: ‘Kom op.’ We waren inmiddels nog verder heen omdat we een fles goede rode wijn, die we in de keuken hadden gevonden, hadden leeggedronken, en toen we buiten in de frisse oktoberlucht kwamen kregen we allebei een beetje een klap, maar we werden er niet nuchter van en bleven lachen. En daarna kuste ze me en zei: ‘Laten we naar mijn kamer gaan en een douche nemen.’
Toen ze dit zei liepen we nog over het campusveld, en ze hield haar in wanten gestoken handen in haar overjas, lachte, tolde in het rond en schopte bladeren omhoog, terwijl er nog altijd muziek uit Windham House kwam. Ik wilde dit ogenblik rekken, dus stelde ik voor iets te eten te zoeken. We bleven staan en hoewel ze behoorlijk teleurgesteld klonk vond ze het goed, en we gingen stiekem op rooftocht de ijskasten in de campushuizen af, maar het leverde niet meer op dan wat bevroren Pepperidge Farm Milanos, een halflege zak Bar-B-Que-chips en een flesje Heineken Dark.
Hoe dan ook, uiteindelijk lagen we goed dronken in haar kamer te vrijen. Ze stopte even en liep de gang op naar de wc. Ik deed een lamp aan en keek de kamer rond, liet mijn ogen over het lege bed van de kamergenote en de poster van een eenhoorn aan de muur gaan; om een reusachtige teddybeer die in de hoek zat, lag de grond bezaaid met nummers van Town and Country en The Weekly World News (‘Ik kreeg een kind van de verschrikkelijke sneeuwman’, ‘Geleerden: ufo’s oorzaak aids’), en ik bedacht dat dit meisje té jong was. Ze kwam weer binnen, stak een joint op en deed het licht uit. Ze was bijna in slaap toen ze vroeg: ‘We gaan niet vrijen, hè?’
Paul Young klonk uit haar stereo, en ik boog me glimlachend over haar heen en zei: ‘Ik geloof het niet, nee.’ Ik dacht aan het meisje dat ik in september had afgewezen.
‘Waarom niet?’ vroeg ze, en ze was helemaal niet meer zo mooi zoals ze daar lag in het schemerdonker van haar kamer, terwijl het enige echte licht afkomstig was van het gloeiende topje van de joint in haar hand.
‘Ik weet het niet,’ zei ik, en toen, met gespeelde ernst: ‘Ik ga met iemand,’ al was dat niet zo, ‘en jij bent dronken,’ al sloeg dat ook nergens op.
‘Ik zie jou echt zitten,’ zei ze voor ze in slaap viel.
‘Ik zie jou ook echt zitten,’ zei ik, al kende ik haar amper.
Ik rookte de joint op en dronk de Heineken leeg. Toen legde ik een deken over haar heen en bleef bij haar staan, met mijn handen in de zakken van mijn overjas. Ik dacht erover om de deken weg te halen. Ik haalde de deken weg. Toen tilde ik haar arm op en keek naar haar borsten, raakte ze aan. Misschien verkracht ik haar, overwoog ik. Maar het liep tegen vieren en over zes uur had ik een college, hoewel het vooruitzicht daarheen te gaan tamelijk ver van me af leek. Op weg naar buiten stal ik haar Honderd jaar eenzaamheid en zette haar stereo uit, en ik vertrok, tevreden en misschien een tikje beschaamd. Ik was een vierdejaars. Zij was een fatsoenlijk meisje. Ze is overigens toch aan iedereen gaan vertellen dat ik hem niet overeind kon krijgen.

Lauren Ging naar Dorstige Donderdag in Windham. Was half en half aan iets begonnen maar vond het niks, en zat aan Victor te denken en eenzaam te worden. Judy kwam langs op het atelier, al dronken, en probeerde me te troosten. We werden high, en denkend aan Victor werd ik alleen maar eenzamer. Dan is het laat en zijn we op het feest, waar het een tamme boel is: biertap in de hoek, rem, tenminste, ik denk dat het rem is, mooie leeghoofdige studenten aan de dansopleiding die zonder gêne staan te kronkelen. Judy zegt: ‘Laten we weggaan,’ en ik vind het goed. We doen het niet. We halen wat bier, dat lauw en dood is, maar drinken het toch. Judy loopt weg met een gozer uit Fels House, al weet ik dat ze op die jongen uit Los Angeles valt die zit te kwartjeswippen met Tony, een aardig iemand met wie ik in mijn tweede semester hier naar bed ben geweest, en met die Bernette, die geloof ik met de gozer uit L.A. gaat, of misschien met Tony, en ik heb het hier wel gezien en denk erover om op te stappen, maar het idee naar het atelier terug te gaan…
Er komt iemand binnen die ik niet wil zien, dus begin ik te kletsen met een yuppieachtige eerstejaars. ‘Pilzebiertje?’ vraagt hij. Ik kijk naar Tony, vraag me af of hij interesse heeft. Hij kijkt terug van de andere kant van de huiskamer, heft zijn pul bier en trekt zijn wenkbrauwen op, en ik kan niet zeggen of het een uitnodiging is om met kwartjes te wippen of met hem. Alleen, hoe kom ik van die knul af? Maar er is hier iemand die ik niet wil zien, en als ik daarheen loop moet ik langs hem. Dus blijf ik maar met die bal praten. Die de ene banaliteit na de andere uitslaat en ertussendoor ‘Hé Laura’ zegt op een toon die hij wel spannend en in vindt klinken, en ik blijf maar zeggen: ‘Moet je horen, ik heet geen Laura,’ en hij blijft me maar Laura noemen, dus sta ik op het punt om stennis te gaan maken als ik me ineens realiseer dat ik zijn naam ook niet weet. Hij noemt hem. Hoe? Steve? Hij, Steve, vindt het niet prettig dat ik rook. Helemaal de dronken (niet al te dronken) zenuwachtige eerstejaars. Naar wie staat Steve te kijken? Niet naar de jongen uit L.A. maar naar Bernette, die tóch niet met Ballig Eerstejaarsje Steve naar bed zou gaan, hoewel, misschien ook wel. Moet steeds aan Victor denken. Maar Victor is in Europa. Pilzebiertje? Jezus. De eerstejaars zegt dat ik mijn bier niet heb aangeraakt. Ik raak het aan, laat mijn vingers langs de plastic rand van het bekertje gaan. ‘Zo bedoel ik het niet,’ zegt hij gemoedelijk. ‘Je moet het drinken,’ benadrukt hij. Stereotype met Kappershoofd. Wat kan het hem eigenlijk schelen? Denkt hij nu echt dat ik met hem naar bed zal gaan? Waarom gaat deze persoon niet weg? Kijkt Tony eigenlijk wel hierheen? Iemand van het vlooienspel geeft een yell voor Sean-wat-ben-ik-een-zak- Bateman. Judy schuift langs me heen, haar ogen ten hemel geslagen. Hoe staat het, vraag ik aan die Steve. Hij wil wat stuff met me roken, maar als ik geen stuff hoef heeft hij wel wat goede speed. Help. Ik wil weten waarom ik vier kaarten naar Victor heb gestuurd en niks heb teruggekregen. Maar ik wil er niet over nadenken, en ik ga zo direct met de eerstejaars mee. Omdat… het bier op is. Hij vraagt of we naar mijn kamer kunnen. Kamergenote, lieg ik. We vertrekken. En ik had mezelf nog wel beloofd dat ik Victor trouw zou blijven en Victor had mij beloofd dat ook hij trouw zou blijven. Aangezien ik de indruk had, heb, dat we verliefd op elkaar zijn. Maar ik had die gelofte in september al min of meer gebroken, wat een complete, totale vergissing was, en wat doe ik nou?
Op de overloop van Franklin House. Gescheurde poster van A Clockwork Orange aan zijn deur? Nee, de kamer ernaast. De Ronnie Reagan-kalender aan zijn deur. Voor de grap? In de kamer van de eerstejaars. Hoe heet hij? Sam? Steve? Het is er zo… netjes! Tennisracket aan de muur. Plank vol boeken van Robert Ludlum. Wat is dit voor een figuur? Vast eentje die in een Jeep rijdt en penny-instappers draagt en wiens vriendinnetje op school zijn trui met atletiekinsignes aan mocht. Hij kijkt in de spiegel of zijn haar goed zit en vertelt me dat zijn kamergenoot vanavond in Vermont is. Waarom zeg ik niet dat mijn vriend – degene van wie ik hou, degene die van mij houdt, degene die ik mis, degene die mij mist – in Europa is en dat ik dit onder geen beding moet doen. Hij heeft een koelkast en trekt er een ijskoude Beck’s uit. Gelikt. Ik neem een slok. Hij neemt een slok. Hij trekt zijn L.L. Bean-trui en zijn T-shirt uit. Zijn lijf is prima. Mooie benen. Speelt vast veel tennis. Ik stoot bijna een stapel economieboeken op zijn bureau om. Ik wist niet eens dat ze dat hier gaven.
‘Je hebt toch geen herpes of zo, hè?’ vraagt hij onder het uitkleden.
Ik zucht en zeg: ‘Nee.’ Zou dronken willen zijn.
Hij zegt dat hij zoiets gehoord heeft.
Ik wil niet weten van wie. Zou heel erg dronken willen zijn.
Het is lekker maar ik raak niet opgewonden. Ik lig daar maar en denk aan Victor.
Victor.
Bret Easton Ellis over De wetten van de aantrekkingskracht
‘It might be my favorite book of mine. It was a very exciting time in my life. I was writing that book while I was at college. Sort of like the best of times, the worst of times. There was a lot of elation, there was a lot of despair. It was just a really fun book to write. I loved mimicking all the different voices. The stream of conscious does get a little out of hand. I kind of like that about the book. It's kind of all over the place. It's casual. It's scruffy. That's the one book of mine that I have a very, very soft spot for.’
Quote
'Briljant. Een prachtige, komische roman.'
Gore Vidal