Clay Easton, een van de hoofdpersonen uit
Minder dan niks, is inmiddels een succesvol scenarioschrijver. Hoezeer het leven ook veranderd
is, veel is hetzelfde gebleven. Easton
beweegt zich in zijn vertrouwde kringetje,
met zijn oude vriendinnetje Blair en haar
huidige man Trent, nu een machtige agent
die nog steeds met mannen en vrouwen het
bed deelt.
Clay legt het aan met de bloedmooie Rain
Turner, een jonge actrice. Als hij echt om
haar gaat geven, komt hij erachter dat zij
mysterieuze banden heeft met twee van zijn
vrienden, en met een filmproducer die gruwelijk
aan zijn einde komt. Clays leven ontspoort
en hij wordt gedwongen af te dalen in
de donkerste krochten van zijn geest, om
uiteindelijk zijn neiging tot bedrog te leren
beteugelen.
Ze hadden een film over ons gemaakt. De film was gebaseerd
op een boek dat geschreven was door iemand die wij kenden. Het
boek was een niemendalletje over vier weken in de stad waarin we
zijn opgegroeid en was grotendeels een accuraat portret. Het werd
als fictie bestempeld, maar er waren slechts een paar details gewijzigd
en onze namen waren niet veranderd en er stond niets in wat
niet was gebeurd. Er was bijvoorbeeld echt een snuffmovie gedraaid
in die slaapkamer in Malibu op een middag in januari, en ja,
ik was het terras op gelopen dat uitkeek op de Stille Oceaan, waar
de schrijver me probeerde te troosten door me te verzekeren dat het
geschreeuw van de kinderen die gemarteld werden nep was, maar
hij zei het glimlachend en ik moest me afwenden. Andere voorbeelden:
mijn vriendin had inderdaad een coyote overreden in de canyons
onder Mulholland, en een diner op kerstavond met mijn familie
bij Chasen’s waarover ik terloops bij de auteur had geklaagd,
was getrouw weergegeven. En er was echt een meisje van twaalf
door een groep verkracht – ik was erbij in die kamer in West Hollywood,
samen met de schrijver, die in het boek alleen een vage weerzin
van mijn kant vermeldde en niet accuraat beschreef hoe ik me
die avond werkelijk voelde – de geilheid, de schok, hoe bang ik was
voor de schrijver, een blonde en geïsoleerde jongen op wie mijn
toenmalige vriendin half verliefd was geworden. Maar de schrijver zou haar liefde nooit helemaal beantwoorden, omdat hij zo opging
in zijn eigen passiviteit dat hij de door haar gewenste klik niet
kon maken, en daarom had ze zich op mij gericht, maar toen was
het al te laat, en omdat de schrijver niet kon uitstaan dat ze zich op
mij had gericht, werd ik de mooie en versufte verteller, niet in staat
tot liefde of vriendelijkheid. Zo werd ik de beschadigde partyboy
die met een bloedneus door de wrakstukken zwierf en vragen stelde
die geen antwoord behoefden. Zo werd ik de jongen die overal
de ballen van snapte. Zo werd ik de jongen die naliet een vriend te
redden. Zo werd ik de jongen die niet van het meisje kon houden.
De scènes in het boek die mijn relatie met Blair weergaven deden
het meest pijn, vooral een scène tegen het einde van de roman
toen ik het met haar uitmaakte op een terras van een restaurant dat
uitkeek op Sunset Boulevard en waar een billboard met de tekst
verdwijn hier me de hele tijd afleidde (de auteur vermeldde erbij
dat ik een zonnebril ophad toen ik tegen Blair zei dat ik nooit van
haar had gehouden). Ik had de auteur nooit verteld over die pijnlijke
middag, maar het kwam woordelijk in het boek, en vanaf dat
moment praatte ik niet meer met Blair en kon ik niet meer naar de
songs van Elvis Costello luisteren die we uit ons hoofd kenden
(‘You Little Fool’, ‘Man Out of Time’, ‘Watch Your Step’), en ja, ze
had me een sjaal gegeven op een kerstparty, en ja, ze was dansend
op me afgekomen terwijl ze ‘Do You Really Want to Hurt Me’ van
Culture Club meezong, en ja, ze had me ‘een stuk’ genoemd, en
ja, ze was erachter gekomen dat ik seks had gehad met een meisje
dat ik op een regenachtige nacht in The Whiskey had opgepikt, en
ja, de auteur had haar daarover ingelicht. Toen ik die scènes over
Blair en mij las, drong het tot me door dat hij met geen van ons
echt bevriend was – behalve natuurlijk met Blair, en zelfs met haar
eigenlijk niet. Hij was gewoon iemand die door onze levens zweefde
en er niet mee leek te zitten hoe oppervlakkig hij iedereen waarnam
of dat hij onze geheime mislukkingen wereldkundig had gemaakt,
de jeugdige onverschilligheid, het glanzende nihilisme
tentoon had gesteld, het gruwelijke van alles aantrekkelijk had gemaakt.
Maar het had geen zin boos op hem te zijn. Toen het boek in
de lente van 1985 werd gepubliceerd, was de auteur al uit Los Angeles
vertrokken. In 1982 ging hij naar dezelfde kleine universiteit
in New Hampshire waarin ik had proberen te verdwijnen, en waar
we weinig of geen contact hadden. (Er is een hoofdstuk in zijn
tweede roman, die zich afspeelt aan Camden, waarin hij Clay parodieert
– nog zo’n gebaar, nog zo’n vileine manier om me eraan te
herinneren hoe hij over me dacht. Omdat het luchtig was en niet
heel erg scherp, was het gemakkelijker van me af te schudden dan
wat dan ook in het eerste boek, dat me afschilderde als een stamelende
zombie die in de war raakte door de ironie van Randy
Newmans ‘I Love L.A.’) Vanwege zijn aanwezigheid bleef ik maar
een jaar aan Camden en maakte ik in 1983 de overstap naar Brown,
hoewel ik in de tweede roman tijdens het herfstsemester van 1985
nog steeds in New Hampshire ben. Ik zei bij mezelf dat ik me er
niets van moest aantrekken, maar het succes van het eerste boek
bleef onaangenaam lang binnen mijn gezichtskring hangen. Dit
had deels te maken met het feit dat ook ik schrijver wilde worden,
en dat ik die eerste roman van de auteur zelf had willen schrijven
toen ik hem gelezen had – het was mijn leven en hij had dat gekaapt.
Maar ik moest al snel accepteren dat ik daar niet het talent of
het doorzettingsvermogen voor had. Ik had het geduld niet. Ik wilde
het alleen maar kunnen. Ik deed een paar halfslachtige, woeste
pogingen en besefte na mijn afstuderen aan Brown in 1986 dat het
er nooit van zou komen.
De enige die iets van gêne of minachting over de roman liet
blijken was Julian Wells – Blair was nog steeds verliefd op de auteur
en zat er niet mee, zoals het ook veel van de bijfiguren koud
liet – maar de manier waarop Julian dat deed was opgewekt en arrogant,
bijna opgewonden, hoewel de auteur niet alleen Julians
heroïneverslaving had onthuld maar ook het feit dat hij eigenlijk
een hoer was die in het krijt stond bij een drugsdealer (Finn Delaney)
en gedwongen werd zijn diensten aan te bieden aan mannen
uit Manhattan of Chicago of San Francisco in de hotels die zich aan
Sunset aaneenregen van Beverly Hills tot Silver Lake. Uitgeteld en
vol zelfmedelijden had Julian de auteur alles opgebiecht, en het
feit dat het boek door een groot publiek werd gelezen en Julian als
medehoofdpersoon had leek Julian een soort richtpunt te geven
dat aan hoop grensde, en ik denk dat hij er heimelijk mee ingenomen
was omdat hij geen schaamte kende – hij veinsde die alleen
maar. En Julians opwinding was nog groter toen in het najaar van
1987 de filmversie in première ging, precies twee jaar nadat de roman
was verschenen.
Ik weet nog dat mijn verwarring over de film ontstond op een
warme oktoberavond in een voorvertoningszaal op het terrein van
20th Century Fox, drie weken voor de bioscooprelease. Ik zat tussen
Trent Burroughs en Julian, die nog niet clean was en de hele tijd
op zijn nagels beet, vol verwachting kronkelend in de pluchen
zwarte stoel. (Ik zag Blair binnenkomen met Alana en Kim, en Rip
Millar in hun kielzog. Ik negeerde haar.) De film was heel anders
dan het boek, in de zin dat er niets van het boek in de film zat. Ondanks
alles – alle pijn die ik voelde, het verraad – kon ik niet anders
dan een waarheid inzien terwijl ik in die zaal zat. In het boek was alles
over mij waargebeurd. Het boek was iets wat ik gewoon niet
kon loochenen. Het boek was bot en had iets eerlijks, waar de film
niet meer was dan een fraaie leugen. (De film was bovendien een
flop: heel kleurrijk en druk, maar ook naargeestig en duur, en hij
kwam niet uit de kosten toen hij in november werd uitgebracht.) In
de film werd ik gespeeld door een acteur die zowaar meer op me
leek dan het portret dat de auteur van mij in het boek had geschetst:
ik was niet blond, ik was niet gebruind, en de acteur was dat evenmin.
Ik was bovendien ineens het morele kompas van de film geworden,
debiteerde aa-jargon, hekelde het drugsgebruik van iedereen
en probeerde Julian te redden (‘Desnoods verkoop ik m’n
auto,’ waarschuw ik de acteur die Julians dealer speelt). Dit gold in
iets mindere mate voor de filmversie van het personage Blair, gespeeld
door een meisje dat echt bij ons groepje leek te horen – nerveus,
seksueel beschikbaar, snel gekrenkt. Julian werd de gesentimentaliseerde
versie van zichzelf, gespeeld door een getalenteerde
clown met een droevig gezicht, die iets met Blair heeft en zich dan
realiseert dat hij haar moet loslaten omdat ik zijn beste maatje was.
‘Wees goed voor haar,’ zegt Julian tegen Clay. ‘Ze verdient het
echt.’ De onversneden schijnheiligheid van deze scène moet de auteur
hebben doen verbleken. Toen de acteur die zin uitsprak, glimlachte
ik bij mezelf met perverse voldoening en ik keek even naar
Blair in de duisternis van de zaal.
Terwijl de film over het reusachtige scherm gleed, begon er onrust
te weergalmen in de doodstille zaal. Het publiek – de feitelijke
cast van het boek – had al snel in de gaten wat er was gebeurd. De
reden waarom de film alles wegliet wat het boek echt had gemaakt,
was dat de ouders die de studio runden er niet over peinsden hun
kinderen in hetzelfde kwade daglicht te stellen als het boek deed.
De film bedelde om onze sympathie terwijl het boek er schijt aan
had. En de opvattingen over drugs en seks waren tussen 1985 en
1987 snel veranderd (en een wisseling van de wacht in de studio
hielp ook niet), zodat het bronmateriaal – verrassend conservatief
ondanks de immoraliteit aan de oppervlakte – in een nieuwe vorm
moest worden gegoten. Je kon de film nog het beste zien als een
moderne film noir van de jaren tachtig – de cinematografie was
adembenemend – en ik zuchtte terwijl hij zich maar bleef ontrollen,
alleen geïnteresseerd in een paar dingen: de nieuwe, lieve details
over mijn ouders amuseerden me licht, net als het feit dat Blair haar
gescheiden vader op kerstavond met zijn vriendin aantrof in plaats
van met een jongen genaamd Jared (Blairs vader stierf in 1992 aan
aids, terwijl hij nog steeds getrouwd was met Blairs moeder). Maar
wat me nog het meest is bijgebleven van die vertoning in oktober
twintig jaar geleden is het moment dat Julian mijn hand pakte die
gevoelloos was geworden op de armleuning tussen onze stoelen.
Hij deed dat omdat Julian Wells in het boek leeft maar in het nieuwe scenario van de film moest sterven. Hij moest gestraft worden
voor al zijn zonden. Dat eiste de film. (Later leerde ik als scenarioschrijver
dat alle films dat eisen.) Toen deze scène zich in de laatste
tien minuten afspeelde, keek Julian me in het donker verbijsterd
aan. ‘Ik ging dood,’ fluisterde hij. ‘Ze hebben me afgemaakt.’ Ik
wachtte even voordat ik verzuchtte: ‘Maar je bent er nog.’ Julian
wendde zich weer naar het scherm en even later was de film afgelopen,
de aftiteling rolde over de palmbomen terwijl ik (onwaarschijnlijk
genoeg) Blair mee terugnam naar mijn universiteit en
Roy Orbison een lied kweelde over hoe het leven wegsterft.
Robert Vuijsje over Imperial Bedrooms/De figuranten
Na vijf jaar gekmakende spanning is het zover. Imperial bedrooms, de nieuwe roman van
Bret Easton Ellis, ligt in de winkel. De vraag luidt: is hij nog steeds een meester? Of zoals de jongeren tegenwoordig zeggen: een baas?
We beginnen bij het begin.
'They had made a movie about us.'
Wat een openingszin. Ze hadden een film over ons gemaakt. Wat voor film is dat? En wat voor mensen zijn dat, die zo interessant zijn dat er films over ze moeten worden gemaakt? Na één zin is duidelijk: we bevinden ons in een spannende wereld.
Voor de lezers die niet bekend zijn met het werk van Bret Easton Ellis: de hoofdrolspelers uit Imperial bedrooms zijn dezelfde als die uit zijn debuutroman Less than zero, uit 1985. Maar dan 25 jaar later. De film waar in de openingszin naar wordt verwezen, is de verfilming van dat boek, uit 1987. De openingszin is het begin van een groot spel dat met de realiteit wordt gespeeld.
Wat het probleem kan zijn met schrijvers: soms is de eerste roman het beste. Dat is waar ze, nog niet beïnvloed door alles wat daarna gebeurt, opschrijven wat ze te vertellen hebben. Daarna kan het een verplichting worden. De mensen verwachten een nieuw boek, de schrijver is ineens een 'echte schrijver' geworden en er moet geld worden verdiend.
Na het eerste boek onderscheiden zich twee categorieën. Schrijvers die steeds een nieuw boek schrijven en schrijvers die iedere keer hetzelfde boek schrijven. Bret Easton Ellis hoort bij de tweede soort. Het betekent niet dat zijn latere romans mindere kopieën zijn van de eerdere boeken. Bij Ellis wordt het een steeds strakkere en meer geperfectioneerde versie van hetzelfde boek.
Iedere zin in Imperial bedrooms is een minikunstwerkje dat je drie keer op nieuw wilt lezen. Vaak zijn het lange zinnen waarin hij als een soort acrobaat over het papier danst en ieder woord op precies de juiste plaats neerzet. Aan alle voorwaarden voor een goede roman wordt voldaan.
Niemand kan beter schrijven.
Het speelt zich af in een sexy wereld waar je meer over wilt weten. De wereld van Hollywood in dit geval.
Het is een meeslepend en verwarrend verhaal over goed en kwaad. Wanneer het gaat over één van de hoofdrolspelers, een mislukte actrice die buitengewoon bedreven is in liegen en manipuleren, kan geen andere schrijver het zo verfijnd samenvatten: 'How can she be a bad actress on film but a good one in reality?'
Robert Vuijsje, Het Parool, 12-6-'10
'Ellis fans will delight in the characters and Ellis's easy hand in manipulating their fates, and though the novel's synchronicity with Zero is sublime, this also works as a stellar stand-alone.'
Publisher Weekly 29-3-'10
'Bret Easton Ellis duwt ons met deze roman wéér een laag verder in de nachtmerrie van het ultieme Niemandsland. Weinig schrijvers die hem hierin kunnen overtreffen. De figuranten is tot nu toe het minste van niks – en wát voor een niks! Dat is een prestatie. Hoed af.'
Joost Zwagerman in Trouw
'Bij Ellis wordt het een steeds strakkere en meer geperfectioneerde versie van hetzelfde boek. Iedere zin in De figuranten is een minikunstwerkje dat je drie keer opnieuw wilt lezen.'
Robert Vuijsje in Het Parool
'Beklemmend is het gevoel van isolement en leegte.'
Bas Heijne in NRC Handelsblad
'Het boek verandert in een soort film noir van de onderbuik van LA, waarin Clay meer ontdekt dan hem lief is.'
De Pers
'Het duistere De figuranten is de nieuwste van koning-desperado Easton Ellis.'
Glamour